Nieuws uit het Edams Museum

  foto Peter Toxopeus

Regelmatig heeft een museumconservator interessant nieuws:  nieuwe objecten aangekocht, of verworven door een schenking of legaat. Voortschrijdend inzicht in historische feiten,  collectie onderzoek, restauraties enzovoort.  Conservator Hayo Riemersma schrijft op deze plaats zijn column over wetenswaardigheden uit zijn dagelijks werk.

 

Hayo Riemersma over Ties van Dijk: ‘Doezelen bij een meesterwerkje

Een bij mij favoriet schilderij uit de collectie van het Edams Museum is ‘Grote Kerk in herfstnevel’ van Ties van Dijk. Het is gemaakt rond 1920, en is maar 33 x 45 cm groot. Het laat een landschappelijke omgeving zien met daarin boerderijen en bomen, afgesloten door het silhouet van de Grote Kerk van Edam, met links en rechts daarvan eveneens bomen. Er is geen sprake van scherp omrande vormen, en ook al niet van sterke kleur. Allesbepalend is de sfeer, de atmosfeer: de nevel die over het land hangt. (Olieverf is het geschikte middel om dit gevoel over te dragen: je kunt ermee doezelen.)

 

Ties van Dijk (geboren in Warffum 1873 – overleden in Eemnes 1967) ‘Grote Kerk in herfstnevel’ olieverf op doek 33 x 45 cm. rond 1920

Dat is dan ook wat als eerste opvalt: het hele – overigens niet zo grote – schilderij is doortrokken van een bepaalde grondtoon, een stemming die zich aan alles meedeelt. De onderdelen (huizen, de Grote Kerk, de landschappelijke elementen) blijven niet op zichzelf staan maar gaan op in het grote geheel.

Dat is heel modern: het geheel van het schilderij vormt het uitgangspunt, de onderdelen zijn daarop afgestemd. En dan te bedenken dat het schilderij zo’n 100 jaar geleden gemaakt is! Het is een kleinood in de collectie: omdat het zo goed geschilderd is, maar ook omdat het zo eigentijds overkomt.

De maker, Ties van Dijk (1873-1967), was zelf allesbehalve overtuigd van eigen kunnen. Uit gebrek aan zelfvertrouwen weigerde hij te exposeren, en bij testament had hij bepaald dat zijn werk, waarvan er nogal wat op zolder stond, moest worden vernietigd. Vrienden hebben door bemiddeling van de huishoudster uit de nalatenschap een keus gemaakt. Anders was ook dit schilderij verloren gegaan.

Overigens was er geen aanleiding voor zoveel bescheidenheid. Ties van Dijk heeft zijn werkzame leven goeddeels doorgebracht in Edam (1903 tot halverwege de jaren ’30) waar hij een gezien docent was aan de Edamse tekenschool. Tientallen jaren was dat een gerenommeerde instelling; tal van gereputeerde leraren hebben daaraan lesgegeven; tal van getalenteerde leerlingen zijn daarvan het product geweest.

Het motief dat Van Dijk heeft gekozen (de Grote Kerk in Edam) is natuurlijk alle Edammers bekend: het is wat de Eiffeltoren voor Parijs is. En vanuit de richting Hoorn kondigt dit monumentale bouwwerk zich al van verre aan. Wat zou het mooi zijn geweest als Ties van Dijk, op de manier waarop Cézanne dat met de Mont Sainte-Victoire gedaan heeft, keer op keer dit gebouw als uitgangspunt genomen had (qua kleur zijn er overeenkomsten). We kunnen het ons alleen maar proberen voor te stellen. Wat de manier van schilderen betreft is er verwantschap met (de vroege) Gauguin te bespeuren.

Het is de moeite waard dit schilderij uit de depots te tillen, en extra aandacht te geven. Het is een bewijs dat – wat je noemt – regionale kunst grote hoogten kan bereiken. In al zijn verstildheid is het een klein meesterwerkje.

Hayo Riemersma / conservator Edams Museum / 20-7-2017

 

Ontvangt u de Nieuwsbrief al? Klik hier om in te zien en meld u aan via info@edamsmuseum.nl

 

Oud Nieuws uit het Museum
onder deze titel verschenen van de hand van Peter Sluisman (voormalig conservator) een reeks artikelen over bijzondere objecten, die het museum verworven heeft. Deze artikelen werden reeds eerder gepubliceerd in het ledentijdschrift van de Vereniging Oud Edam.


Uniek bord met het wapen van Keizer Karel V

Het Edams museum heeft sinds kort een fraaie aardewerken schotel met een doorsnee van 39 centimeter in bruikleen gekregen, maar heeft de mogelijkheid tot aankoop. Het bord is lang geleden in stukken gevonden in het centrum van Edam. De huidige eigenaar is van mening dat deze schotel eigenlijk weer terug moet naar plaats van herkomst. Voor het museum maar zeker ook voor de stad een zeer waardevolle schotel.

 

 

We hebben het hier over een schotel uit de bloeiperiode van het Noord Hollandse slibaardewerk tussen 1590 en 1650. In de 16 en 17 eeuw kwamen veel plaatsen in Noord-Holland tot grote bloei en rijkdom. Denk hierbij aan steden als Alkmaar, Enkhuizen, Hoorn, de Rijp, maar ook Edam beleefde zijn grootste bloei in die periode. Door deze welvaart ontstond er vraag naar luxe aardewerk met name het fraai gedecoreerde slibaardewerk. Bij slibaardewerk werden met slappe witte klei allerlei versieringen aangebracht op roodbakkend aardewerk. Meestal gebeurde dit met een koehoorn waarin men een gaatje en daarin een rietje had aangebracht (ringeloortechniek). Dit fraai uitziende aardewerk leende zich bij voorkeur voor gelegenheidsopdrachten: huwelijksborden, geboortekommen, maar ook voorwerpen met alleen maar jaartallen en namen. Maar dat niet alleen, ook decoraties met soldaten, vogels, bloemen, heraldische motieven en bijbelse voorstellingen komen voor. Het museum bezit een schotel met een Adam en Eva afbeelding uit deze periode.

Als we kijken naar dit bord dan valt onmiddellijk de grote dubbel koppige adelaar op met tussen de koppen wat gedraaide krullen. Deze gedraaide krullen stellen een vuurslag voor. Het maken van vuur is eeuwenlang moeizaam geweest. Er werd met een vuursteen en zo’n ijzeren vuurslag tegen elkaar geketst totdat er een vonk afsprong die dan in tondelzwam of licht ontvlambaar materiaal moest ontvlammen. De combinatie van een dubbele adelaar en een vuurslag doet onmiddellijk denken aan Keizer Karel V. Zijn devies was namelijk  Plus Oultrie: steeds verder. Hij wilde immers dat zijn rijk als een lopend vuur steeds groter en machtiger zou worden. De vuurslag stond hier symbool voor.

 

 

Het hek van de dam

foto collectie Sieuwers

Op de lagere school vertelde een meester ons, dat het hek van de banken op de damsluis niet kon roesten en dat de smid zijn geheim had meegenomen in het graf. Als kind vond je dat een spannend verhaal. Later las ik dat het hek afkomstig zou zijn van het middeleeuwse stadhuis dat stond op de plek waar nu de Lutherse kerk staat. Ik realiseerde mij dat ik -net als vele Edammers- bijna nooit op die banken zat. Opeens viel mijn oog op een cijfer dat in het ijzer stond gegraveerd, het cijfer 6 en even verder een 9. Ik liep naar de andere kant, de kant van het Damhotel, en daar zag ik de cijfers 1 en 5. 1569 dus. Aan de overzijde van de Dam trof ik hetzelfde jaartal 1569. Het ijzeren hek op de Dam is dus gedateerd. Ik herinnerde mij een mapje uitgegeven door Oud Edam en de VVV, met mooie tekeningetjes van Jan Bouman, unieke illustrator, die een aantal boeken heeft uitgegeven met de titel “Het merckwaerdigste meyn bekent” Op blad nummer 7 van dat mapje staat inderdaad het Damhek en Bouman schrijft dat werd verteld dat het nooit kon roesten en dat het hek zeker twee eeuwen ouder moest zijn dan de Dam, want op de sluitsteentjes in de Dam staan de jaartallen 1795 en 1798. Verder vermeldt hij dat het hekwerk aan de westzijde (de kant gericht naar de speeltoren) gedateerd is 1596. Hij draait het jaartal om en rept niet over de andere zijde.

Terug naar de gedachte dat de hekken afkomstig zouden zijn van het vroegere stadhuis. Dat oude stadhuis werd in 1547/48 gebouwd, ongeveer terzelfder tijd als het huidige museum. Dat men dan in 1569 een paar banken met gesmede leuningen voor het stadhuis plaatste lijkt aannemelijk. Werden dergelijke banken niet bij de bouw al gemaakt? Waarom dan banken met verschillende ornamenten? In het boekje “Het huis met de Swaan” van Corrie Boschma-Aarnoudse en M.A.van der Eerden-Vonk staan zeven afbeeldingen van het oude stadhuis. Op vier afbeeldingen zien we banken met, op drie afbeeldingen banken zonder ijzeren leuningen. Dit zegt op zich niet alles want tekenaars en graveurs werkten niet altijd fotografisch. Maar het zijn allemaal afbeeldingen net voor de sloop van het oude stadhuis. En inderdaad lijkt dit hekwerk overeenkomsten te hebben met het hekwerk op de Dam. De gedachte is daarom niet zo vreemd dat men aannam dat dit hekwerk gebruikt zou zijn voor de Dam. Dergelijk mooi smeedwerk kostte geld en in 1737 toen het huidige stadhuis gebouwd en het oude gesloopt werd, was er weinig geld, dus weggooien deed men niet zo gauw. Tot zover zou je kunnen denken dat het hekwerk van de Dam van het oude stadhuis afkomstig zou kunnen zijn. Er blijven dan toch nog een paar losse eindjes over.

In het proefschrift “Tot verbeteringe van de neeringe deser Stede” van Corrie Boschma-Aarnoudse, wordt vermeld “De banken op de vrouwensluis (huidige Dam) werden vervangen door weeg- en visbanken met ijzeren leuningen, zoals wij die nu nog kennen. Roelof Dircsz Smit kreeg hiervoor 65 gulden uitbetaald.

In de stadsrekening las ik dat in 1569 door een zekere Jan Claesz Maechels aan bout voor de leuningen aan de vrouwebrug , in den toren, aan de weegh en visbanken en de anders was geleverd en dat er aan Roelof Dircsz Smit was uitbetaald aan ijzerwerk. Het jaartal van de rekeningen klopt met de datering op het ijzerwerk. De verschillen in ornamentatie en details, zoals knoppen aan de ene kant en hoedjes aan de andere kant lijken nu beter verklaarbaar. In vele steden waren er visbanken aan weerszijden van een water. De ene kant was dan voor de Poorters en de andere kant voor de buiten-Poorters. Helaas bestaan er geen duidelijke tekeningen of gravures van de visbanken. Maar dit is aannemelijker dan de veronderstelling dat het ijzerwerk van de banken van het oude stadhuis afkomstig is. Het gesmede hekwerk voor het oude stadhuis heeft daar in elk geval tot 1737 gezeten, gezien de afbeeldingen. Het enige wat we nu zeker weten is dat de ijzeren leuningen gedateerd zijn en passend gemaakt. De smid heeft door middel van stippen aangegeven hoe de delen aan elkaar gesmeed/ geweld moesten worden.

Blijft nog steeds de vraag hoe het kan dat het ijzer niet kon roesten. Het schijnt dat dit ijzer een hoog koolstofgehalte blijkt te hebben en dus minder snel roest. Waarschijnlijk is dit toeval want ijzer werd in die tijd geïmporteerd uit o.a. Duitsland. Er zijn ook geen andere ijzerwerken bekend in Edam met deze bijzondere eigenschap.

 

Twee klaptafels

De tafel is in (woon)kamer of keuken een onmisbaar element, middelpunt van het gezinsleven. Onmisbaar ook in veel beroepen. In de 17e en de 18e eeuw stond in de woonkamer van de gegoede burgerij veelal te midden van andere zware eikenhouten pronkmeubelen een grote tafel met bolpoten en uitschuifbaar blad. Maar daarnaast was er ook behoefte aan wandtafels en een soort bijzettafel, de klaptafel. Die waren er in velerlei uitvoeringen. Minder van kwaliteit en goedkoper. Lichte, makkelijk verplaatsbare meubelen, vaak voorzien van een typische kleurrijke beschildering. Volkskunst op zijn best, vertellend over het karakter en de aard van de streek. Het Edams museum bezit ook van die meubelstukken.

In de Zaanstreek werd in het midden van de 17e eeuw de oerklaptafel op drie poten ontwikkeld, waarvan een poot kon worden ingeklapt. Het blad was meestal achtkantig. De versiering bestond aanvankelijk uit snij- en steekwerk. Later gecombineerd met kleurrijke beschilderingen, terwijl weer later het snijwerk beperkt bleef tot de poten. De vroege tafels werden uitgevoerd in eikenhout. Een van de tafels uit ons museum voldeed aan die beschrijving van een vroege eikenhouten tafel, behalve dan dat het blad twaalfkantig was. Bijzonder waren het jaartal 1672 en de rebus Jan Muis en Bet Beer op de onderkant. Jaartal en rebus deden vermoeden dat het hier om een huwelijksgeschenk ging, van een echtpaar uit Monnikendam.

foto collectie EM

 

Lelijk eendje

In de keuken van ons (museum) koopmanshuis stond tot drie jaar terug een achttiende-eeuwse geschilderde tafel van zacht hout, met een van oorsprong Engelse constructie, een zogenoemde gate-leg table. Een smalle tafel op vier poten met twee aan weerzijden neerhangende bladen. De Engelse gate-leg table is nooit beschilderd en meestal van eikenhout, de Hollandse is vrijwel altijd beschilderd en van zacht bout. De klaptafel uit ons museum werd al in 1903 aangekocht en heeft waarschijnlijk al die tijd in de keuken gestaan. Het ene blad is beschilderd met schepen op zee, het andere met een landschap met koeien. Het geheel is opgevuld met rocailles en krullen zoals dat in de achttiende eeuw de mode was.

Een van de conservatoren van het OLM erbij gehaald om even te kijken naar onze versleten beschilderde tafel. Nadat wij de tafel uit het depot op een goede plek hadden neergezet, was het enige tijd stil. Zijn reactie was letterlijk ” als ik een gebit gehad had was het er nu uitgevallen. Ik moet het nog even nakijken, maar het zou zo maar kunnen dat dit de enige tafel in Nederland is”. “De enige tafel in Nederland?” vroeg ik. “Ik weet dat het Zaans museum ook zo’n geschilderde tafel heeft en uw eigen museum bezit er ook een paar”. “Ja, dat klopt, antwoordde hij, maar dit is waarschijnlijk het enige exemplaar dat nooit is bijgeschilderd of overgeschilderd en dat maakt het uniek. Enige dagen later mailde hij dat deze tafel inderdaad de enige in Nederlandse musea is die nog origineel was, dus zijn oorspronkelijke beschildering nog had. Tevens gaf hij een aantal adressen van specialisten die de tafel konden behoeden voor verder verval.

foto collectie EM

Schijn bedriegt

De fraaie zeventiende-eeuwse eiken klaptafel uit Monnikendam die origineel en kostbaar leek, maar waarvan het blad later was gemaakt, moesten we een bescheidener plaats geven. Maar de tafel die er niet uitzag blijkt een topstuk. Hij is te bewonderen in het oudste stenen huis van Edam, Damplein 8, eerste etage.

 

Een bezoek aan de Portugese Synagoge

collectie EM

in Amsterdam die pas is gerestaureerd en het tegenover liggende Joods historisch museum.  Daar viel mijn oog op een aantal rijkversierde Thora mantels.( Thora = Wet). Een Thoramantel is een beschermende hoes over de Thora rol. Het duurde even maar op een gegeven ogenblik herinnerde ik mij een ondefinieerbaar stuk textiel bij ons in het depot. Het leek er toch verdacht veel op, niet zo rijk versierd, maar mijn nieuwsgierigheid was gewekt.

Thuisgekomen onmiddellijk naar het museumdepot en de rok zonder opening nog eens goed bekeken. Nog eens een paar goede foto’s genomen en gemaild naar het Joods historisch museum met de vraag of dit een Thoramantel was. Ik kreeg de volgende dag een mailtje van mevrouw Faber, (hoofd collecties) zij vertelde mij dat het object veel gelijkenis vertoonde, maar dat er bovenin een gat moest zitten om de stok van de Thorarol door te laten. Boeken werden erbij gehaald en zo kwamen we tot de conclusie dat het wel degelijk een Thoramantel was, maar gebruikt door Sefardische Joden. Bij deze groep Joden kwamen Thoramantels ook wel voor zonder opening aan de bovenkant.

Sefardische Joden kwamen van oorsprong uit Portugal en Spanje, ze waren meestal gevlucht voor de inquisitie in de 16e , 17e eeuw. De vraag die nu onmiddellijk naar voren kwam was, waren er in Edam Sefardische Joden en hoe kwam zo’n mantel nou in het depot van het Edams museum terecht.

De eerste melding in Edam komt uit november 1641: Samuel Abrahamsz krijgt toestemming om tot mei 1642 inEdam te mogen wonen. Dan is het lang stil, pas in 1722 krijgt Moses Morino Monsanto een Portugese Jood , toestemming om zich te vestigen. Het ging allemaal wat moeizaam, want zo tolerant waren we nu ook weer niet, als er flink wat protest kwam uit de bevolking werd de toestemming om zich te vestigen zo weer ingetrokken. Kennelijk mochten alleen Joden van buiten op gezette tijden handel drijven in de stad, want in 1770 klaagde weer een aantal winkeliers dat Joden en vreemdelingen zodanig handel dreven dat zij bang waren voor te grote concurrentie. Het gevolg was een extra belasting van stadswege voor deze groepen.

In 1779 zijn er voldoende Joodse gezinnen ( minstens 10 mannen) om diensten te houden.

De plaatselijke synagoge was op verschillende locaties bij de mensen thuis. Er zal ook een Thora rol geweest zijn, zo’n rol was een kostbare aangelegenheid, het laten maken van een Thora rol kostte ongeveer 1 jaarsalaris van een vakman. Vandaar dat men er zeer zuinig mee omging en na de dienst een beschermende mantel aanbracht. Op 29 april 1791 berichtten Moses en Marcus Berlijn een synagoge in te richten op het Noorderagterom (een achtervertrek). Na een verbouwing werd in augustus 1791 dit gebouw als synagoge in gebruik genomen. Deze heeft stand gehouden tot 1886. Waarschijnlijk gingen de overgebleven bezittingen over op de Joodse gemeente van Monnikendam, waar de drie overgebleven gezinnen uit Edam onder kwamen te ressorteren.

Terug naar onze Thoramantel (die overigens zeer eenvoudig is uitgevoerd) het wordt een beetje gissen, maar het zou als volgt gegaan kunnen zijn. In 1779 zijn er meer dan 10 mannen en ontstaat de eerste gemeente dus een Thorarol en Thoramantel. Stel dat zo’n beschermende mantel ongeveer 50 jaar meegaat, dan is er omstreeks 1830 weer een gemaakt, waarschijnlijk deze. Dan klopt de datering midden 19e eeuw aardig.

In 1886 gaat men naar Monnikendam en ter gelegenheid van deze nieuwe behuizing wordt er weer een nieuwe mantel gemaakt. De oude mantel belandt op de een of andere manier met nog wat andere zaken zoals een chanoekalamp bij de plaatselijke overheid. In 1895 wordt het museum gerealiseerd en heel veel gemeentelijke inventaris verhuist naar het museum en depot. De chanoekalamp hangt al heel lang in het museum, maar de Thoramantel raakt in de vergetelheid. Het is bijna een wonder dat hij bewaard is gebleven, maar nu hij weer herkend is gaan we er weer goed op passen.

bron: Joods Historisch museum  – De Joodse gemeente van Edam 1779-1886 door F.Schoonheim

 

Twee objecten van Delfts aardewerk

Oud Nieuws columnOud Nieuws columnOud Nieuws Column

Uit de vaste collectie van het Museum. Delfts aardewerk behoort tot de belangrijke Nederlandse prestaties uit de 17e en 18e eeuw, toen men erin slaagde om plateel te maken, dat in kleur, vorm en decoratie het Oosters porselein benaderde. Veel particulieren en musea, in eigen land en daarbuiten, hebben in de laatste I50 jaar verzamelingen ervan aangelegd. Het Edams museum heeft de meeste objecten uit schenkingen verkregen.

Links een puntgave blauwgedecoreerde kwispedoor met tekst datum en merk aan de onderzijde. Deze spuugbak voor pruimende heren is in opdracht gemaakt voor Marten gerritsz Mars in het ‘jaar onzes Heren 1742’ Aan de onderzijde gemerkt met de letter D en het getal 13, is de kwispedoor waarschijnlijk gemerkt door Zacharias Dextra, eigenaar van de platteelfabriek De Drie Vergulde Astonne Delft 1721-1757.

De wonderlijke lettercombinatie van het rechterobject, een wandbord uit de tweede helft van de 18e eeuw is moeilijker te duiden. Mijn gedachten gaan uit naar schenking van een godsdientig gereformeerd gezin. Katholieken hadden meestal een kruisbeeld of Christusbeeld in huis. Dit bord doelt op de alom aanwezige God en op de verantwoording die men over het leven moet afleggen. Van de middelste letter naar rechts: G(od) W(eet) A(lles); naar boven: G(od) H(oort) A(lles); naar beneden: G(od) S(iet) A(lles); naar links: G(od) K(ent) A(lles)

 

Bijzondere tabaksdoos

 

Oud Nieuws column

uit de expositie Volkskunst in Waterland (2008), welke niet alleen gebruiksvoorwerpen uit het depot van het Edams Museum toonde, maar ook uit particulier bezit. Uit die laatste categorie is één voorwerp zo bijzonder dat daaraan in deze rubriek aandacht besteed wordt. Het betreft hier een tabaksdoos die is vervaardigd in opdracht van Pieter Holm, een Zweed. Hij werd geboren omstreeks 1685 en ging al vroeg naar zee. Rond 1720 zette hij een punt achter zijn zeemanscarrière en vestigde zich in Amsterdam. Daar begon hij een winkel, annex schooltje, voor aankomende zeelieden. Op de gevel stond “Regt Door Zee” en daarmee was de eerste zeevaartschool in Amsterdam een feit.

 

Bodebussen

Ook een museum als het Edams Museum is voortdurend op zoek naar zaken die de aanwezige collectie kunnen aanvullen en verbeteren. Daarbij moet men ook wel eens wat geluk hebben en dat hadden we in 2009. Drie ‘ontdekte’ Edamse bodebussen. De middelste, getoond met hanger, is de oudste: vermoedelijk 17de eeuws.

foto Periodiek Oud Edam

Onder een bodebus verstaat men een onderscheidend ambtelijk versiersel of draagteken. Het was in vroeger tijden een onderscheidingsteken, dat gedragen werd door boden in dienst van bestuurslichamen, zoals de Kamers der Staten Generaal, de Provinciale Staten, Gemeentebesturen, Hoogheemraadschappen, Waterschappen en Polders. In eerste instantie denkt men bij dit woord aan een soort bus. Terecht. De geschiedenis van de bodebus gaat terug tot in de vroegste middeleeuwen. Bodes die berichten moesten overbrengen droegen deze handgeschreven en soms fraai gekalligrafeerde stukken voorzien van het zegel van de opdrachtgever in een bus aan de gordel. De bus droeg ook vaak het wapen van de opdrachtgever. Bus is afgeleid van het Griekse „pyxis”, oorspronkelijk een palmhouten doos, in het christendom een kelkvormig vat waarin de hosties bewaard worden. Soms droeg een bode een staf, wanneer hij op reis ging. Amsterdam heeft nog een dergelijke bodestaf. Vaak kon de bode, kenbaar aan zijn bodebus, gratis gebruik maken van het toenmalige openbaar vervoer, zoals trekschuit, veerpont of diligence. Vanaf de vijftiende eeuw werd aan de bodebus een schildje toegevoegd met het wapen van de instantie, die de bode vertegenwoordigde. Waarschijnlijk is toen ook de scheiding tussen bus en versiersel begonnen. Ook voor het versiersel bleef het woord bus gehandhaafd. De bus met papieren zou later een leren tas worden.

Tegenwoordig dragen de bodes van de gemeente Edam-Volendam op hun revers een draaginsigne met het gecombineerde gemeentewapen als teken van hun functie.

Terugkerend naar onze drie verguld zilveren bodebussen: twee vertonen grote overeenkomsten, de derde wijkt sterk af. Die meest afwijkende is het oudste exemplaar, mogelijk is dit een 17e eeuwse bodebus en afkomstig uit het oude stadhuis (< 1737). Helaas is de oorspronkelijke zilversmid niet meer te achterhalen, want na een reparatie heeft zilversmid Gijsbert van der Klos (1776-1812 ) uit Amsterdam zijn merk precies over de oude keur geslagen.

De tweede bodebus is waarschijnlijk gemaakt ter ere van het nieuwe stadhuis in 1737. Edam heeft bij mijn weten in de 19e eeuw nooit meer dan twee bodes gehad, dus zal de oudste bus wel in onbruik geraakt zijn. Het blijft gissen want de twee jongere bussen dragen weliswaar het merk van zilversmid Hermanus Lintveld (1797 – 1812) uit Amsterdam, maar ook hier zitten oudere merken onder. Op de hangers van deze twee staat het meesterteken van zilversmid Wouter Wylacker ( 1753-1807 ) eveneens uit Amsterdam. Opvallend is dat op de twee jongste bussen het stadswapen niet alleen aan de bovenkant wordt vastgehouden door een leeuw, maar ook aan weerszijden vastgehouden wordt door twee omkijkende leeuwen. Dat is niet conform de regels. Maar elders in Noord-Holland werd daar door sommige gemeenten ook wel van afgeweken. Het stond mogelijk wat interessanter en voornamer. Het ligt wel in de lijn der verwachting dat de bussen in Amsterdam gemaakt zijn, want er was veel briefwisseling tussen beide steden en Amsterdam had veel goede zilversmeden. Ook in Edam was in 1663 een gilde van zilversmeden opgericht, maar werk van deze ambachtslieden is niet of nauwelijks bekend. Dit gilde is daarna mogelijk in verval geraakt. Slechts een zilveren lepel van voor 1700 is bekend.

In 1734 wordt echter gesproken over een nieuw gilde. Er is kennelijk weer leven in de brouwerij en voor het jaar 1734 wordt de jaarletter P vastgesteld. Zo kort voor de bouw van het nieuwe stadhuis is het goed denkbaar dat een plaatselijke zilversmid de opdracht heeft gekregen voor het maken van een bodebus.

Na een constructief gesprek met onze burgemeester, de heer W. Verbeek, liggen de bodebussen niet meer in het stadskantoor maar in het Edams museum waar iedereen ze kan bewonderen.

 

Een knipseltje in een kastje, dit is een zogeheten Bavelaar

 

Oud Nieuws column

Bavelaars zijn uit hout of been gesneden kleine diorama’s , geplaatst in een houten kastje achter glas. Het kunnen voorstellingen zijn van landschappen, schepen of in en rond het huis. De achtergrond van de kastjes is altijd blauw. Ze ontlenen hun naam aan Cornelis Bavelaar (1747-1830) beeldhouwer, en zijn zoon Cornelis (1777-1831) timmermansknecht en kunstwerker.

De zoon van Cornelis de Jonge, Joannes Fransiscus was de derde en laatste van de familie die deze kastjes vervaardigde. Ons museumstuk is een papieren knipsel, met een verbleekte blauwe achtergrond, hoogst waarschijnlijk van een navolger.

 

Regentenborden

Oud Nieuws column

In sommige grote steden lieten regenten van weeshuizen, afkomstig uit de gegoede burgerij, zich vereeuwigen in een schilderij. Elders gebeurde dat op eenvoudiger manier door fraai gekalligrafeerde borden. Zo ook in Edam. Mevrouw Alie Koorn-Tuin, één van de laatste wezen uit het Protestantse Weeshuis,herinnerde zich nog goed de wandborden met de namen van de regenten en regentessen die in de gang van het huis hingen (interview periodiek jaargang 28, nr.3, 2004). Het Protestants Weeshuis was een fusie sinds 1811 van het Armenweeshuis en het Burgerweeshuis. 1n 1965 werd het huis opgeheven en vervielen de bezittingen aan de Gemeente. Zo wordt het bureau van de weesvader nog gebruikt door de burgemeester!. De wandborden belandden in het gemeentelijk archief van het stadskantoor in Volendam, waar ik ze onlangs tegenkwam. Na overleg met de betreffende ambtenaren zijn de wandborden overgebracht naar het Edams museum. Een aantal hiervan werd opgehangen in de burgemeesterskamer in het oude stadhuis. Deze kamer werd vroeger ook gebruikt door de weesmeesters, het schoorsteenstuk herinnert daar nog aan. Een wens ging in vervulling……

 

Het hoeft niet allemaal heel te zijn

Oud Nieuws columnOud Nieuws columnOud Nieuws column

Enige tijd terug moest ik toevallig bij de Dienst Openbare Werken zijn. Nadat ik mij gemeld had bij de balie kon ik even plaatsnemen. Rondkijkend ontdekte ik aan de muur een vitrinekastje met scherven en brokstukken. Dit soort wandversieringen trekken altijd mijn aandacht. Op een kleine plavuis stond te lezen dat dit gevonden resten waren bij rioleringswerkzaamheden die in september 1974 (door heel Edam) waren begonnen. Het merendeel van de resten was van weinig waarde, maar een paar objecten waren toch wel interessant. De ontdekking liet me toch niet helemaal los. Na een aantai weken was ik er weer en keek ik nogmaals in het hangkast je. Ik begon de brokstukken leuk te vinden en meende dat die hier niet moesten blijven verstoffen en in het Edams museum beter tot hun recht zouden komen.’ Ze waren tenslotte ook gevonden in Edam, dus daar hoorden ze thuis. Toen ik bij de hoogste ambtenaar kwam die daarover zou kunnen beslissen keek hij verbaasd en vroeg welke brokstukken ik bedoelde. Hij zegde toe er naar te kijken en het mij’ dan te laten weten. Toen ik de betreffende persoon een paar weken geleden in een gesprek over de renovatie van het museum weer ontmoette, na afloop vroeg ‘En hoe gaat het met de brokstukken?’ antwoordde hij spontaan ‘Je kunt ze ophalen’ Dat heb ik ook onmiddellijk gedaan.

 

Museumbibliotheek herbergt machtige boeken

Oud Nieuws column

Het Edams museum heeft in de loop van de jaren een aardige bibliotheek opgebouwd. Al bij de oprichting in 1895 zijn er vooral door particulieren boeken geschonken aan het museum. Helaas was deze collectie boeken niet toegankelijk voor publiek en deed het museum als zodanig er niet veel mee. Om die reden is er al eens in het verleden een groot aantal boeken betrekking hebbend op de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen naar het Waterlands Archief gegaan, waar ze wel toegankelijk zijn. Vorig jaar heeft het bestuur besloten om ook de overige collectie boeken naar het archief over te brengen. De boeken worden bewaard in dozen waar lijsten met de titels bijhoren. Dit alles moet worden uitgezocht en gedigitaliseerd aangeleverd. Op zich een heel karwei waar een aantal mensen onder aanvoering van nestor Gerrit Conijn zich mee bezighoudt.

 

Een bijzondere baggervondst

 

Oud Nieuws column

Kortgeleden verwierf het Museum een bord dat bij het uitbaggeren van een sloot gevonden was. Een dergelijke vondst is zelden of nooit gaaf moet dus gerestaureerd worden om er weer kompleet en fraai uit te zien. Ook aan dit bordje ontbrak een aantal stukken. Toen ik het bord voor het eerst zag had ik iets van herkenning, maar het duurde toch even voor ik het weer wist en opgezocht had. Op het eerste gezicht lijkt het een 18e eeuws bord met een voorstelling van een herder en een herderin. Niets bijzonders, maar het bijzondere zit in het verhaal er achter. Wel nu, dit bord is gemaakt tussen 1630 en 1650. hoogst waarschijnlijk bij het aardewerkbedrijf Verstraeten in Haarlem. Delft zou ook een mogelijke optie zijn. maar borden met eenzelfde kwaliteit en soortgelijke onderwerpen worden veelal toegeschreven aan Verstraeten. Vader Willem Verstraeten richtte zich aanvankelijk op het maken van geleywerk, het zogenaamde majolica, dat is aardewerk van niet wit bakkende kleisoorten, bedekt met tinglazuur waardoor een witte ondergrond ontstaat waarop kleurige decors werden aangebracht. Hij begon in 1625 met zijn aardewerkfabriek in Haarlem; overigens had hij zijn sporen in Delft al verdiend. Zijn bedrijf maakte een grote bloei door, zijn decors waren in stijl en kleur sterk beïnvloed door het Italiaanse majolica. Wapenborden behoorden eveneens tot zijn specialiteit. Uit documenten blijkt dat hij wel 40 tot 50 mensen in dienst gehad moet hebben.

 

Vrouwe Justitia geeft een geheim prijs

 

Oud Nieuws Column

Soms zijn er van die ontdekkingen die je kunnen verbazen, maar ook veel genoegen schenken. Als buitengewoon ambtenaar van de Burgerlijke Stand kom ik regelmatig in de voormalige schepenzaal, nu de raadzaal van het oude stadhuis. In die functie begin ik bij gelegenheid vaak over de geschiedenis van de raadzaal en vertel wat de schilderingen op de wanden voorstellen. Zo bevindt zich boven de schouw vrouwe Justitia, geblinddoekt met een weegschaal in balans, boven een wat vreemde geketende figuur. De afgebeelde persoon heeft een mannelijk gezicht, maar een vrouwelijk bovenlijf. Het was mij nooit duidelijk wie of wat daarmee werd afgebeeld. Tot voor kort. Op enig moment moest ik in de raadzaal zijn toen het zonlicht naar binnen viel precies op de schildering van Vrouwe Justitia en ineens viel mijn oog op de rasta-achtige haardos van die vreemde figuur. In het heldere licht leken de dreadlocks in het Haar wel te eindigen in slangenkopjes. Bij nader onderzoek bleek dat ook zo te zijn. En daarmee werd mij ook duidelijk wie hier werd afgebeeld, namelijk Medusa, een zeer bekende figuur uit de Griekse mythologie. Van haar wordt verhaald dat ze een schoonheid was, wat niet onopgemerkt bleef bij Poseidon, de god van de zee.

Met hem bedreef ze de liefde in de tempel van de godin Athena. Die strafte haar voor die heiligschennis door haar mooie haar te veranderen in een nest slangen en haar gezicht afzichtelijk te maken. 

Noot webredactie: het voortschrijdend inzicht gebiedt ons te melden, dat de veronderstelde afbeelding van Medusa in twijfel moet worden getrokken: Medusa was een schoonheid en doorgaans in de kunst als zodanig afgebeeld.  De in het schilderij van C.W. Rave opgenomen figuur is waarschijnlijk Invidia de personificatie van de vierde der zeven hoofdzonden: hebzucht en afgunst.  Ook pleit een relief in de Schepenzaal van het Stadhuis Amsterdam (koninklijk Paleis op de Dam) in die richting, gezien de gelijkenis. En tenslotte was Rave een Amsterdamse schilder, en heeft hij zich mogelijk daarop laten inspireren.

De uitvaart van Michiel de Ruyter

 

Michiel de Ruyter Michiel de Ruyter   foto Rijksmuseum

Bij het nakijken van archiefdozen van het Edams museum stuitte ik op een bijzonder document, namelijk een uitnodiging voor de begrafenis van onze grootste zeeheld Michiel Adriaansz. de Ruyter. Het bestaan van dit document was bij enkele mensen bekend maar die hebben hier verder nooit gewag van gemaakt. Eigenlijk wist ik niet wat ik zag, een overlijdenskaart uit 1677 van zo’n beroemde man. Hoe komt het museum hieraan en naar wie is hij destijds verstuurd? Beide vragen blijken niet zo gemakkelijk te beantwoorden. De uitnodiging bevindt zich al decennia lang in het archief van het museum en zal vermoedelijk een keer geschonken zijn. In Edam waren er destijds wel vier of vijf personen naar wie hij verstuurd zou kunnen zijn. Maar eerst terug naar onze admiraal Michiel de Ruyter.

Op 24 maart 1607 werd Michiel Adriaanszoon de Ruyter geboren in Vlissingen. Al jong ging hij naar zee. Daar klom hij op van scheepsjongen tot schipper. Na een carrière in de walvisvaart, kaapvaart en koopvaardij werd hij gevraagd in dienst te treden bij de admiraliteit van Zeeland. De Ruyter is vooral bekend geworden door zijn rol in belangrijke zeeslagen. In gevechten tegen Spanjaarden, Fransen, Engelsen en kapers bleek hij te beschikken over een uitstekend inzicht. Vanwege zijn successen werd hij uiteindelijk tot opperbevelhebber van de Nederlandse vloot benoemd.. Zijn meest beroemde wapenfeit was de tocht naar Chatham in 1667, een gedurfd plan van Johan de Witt. De ketting die over de Theems was gespannen werd stuk gevaren, daarna werd verder de Theems opgevaren en vervolgens de Medway tot waar de Engelse vloot lag. Nagenoeg de gehele Engelse vloot werd vernietigd, alsmede

werven en magazijnen. Pas toen het tij verliep, dwong het lage water de Hollanders tot de terugtocht.

Op 29 april 1676 sneuvelde de Ruyter in de strijd tegen de Fransen bij Syracuse op Sicilië. Hij was toen 69 jaar oud. Opmerkelijk is dat hij op 18 maart 1677 dus bijna elf maanden later, werd begraven. Kennelijk was zijn lichaam aan boord geconserveerd.

In de 17e eeuw, tijdens admiraal de Ruyter waren er in Edam vijf kapiteins die onder hem hebben gevochten, te weten: Decker, Corle, Boes, Broeder en Jacob Andries Zwart. Zij koeten een overlijdensbericht ontvangen hebben, want met uitzondering van Corle liepen zij mee in de rouwstoet naar de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Deze kapiteins zijn waarschijnlijk in onze Grote kerk begraven. Van vier resten ons slechts de namen, maar van Jacob Andries Zwart zijn een rouw bord en een prachtige grafsteen bewaard gebleven.

 

De apostel Petrus komt uit de verf

olieverf paneel

Het zou wel eens een van de laatste ontdekkingen van schilderijen kunnen zijn die we deden in ons Museum. In een ladekast bevonden zich drie panelen zonder lijst, bijeengehouden door een dun latje. Na schoonmaken en restauratie kwam een zeventiende-eeuwse Bijbelse voorstelling te voorschijn van de apostel Petrus. De betreffende panelen zijn al heel lang in ons bezit, misschien wel honderd jaar. Wellicht vraagt u zich af hoe je nou iets kunt ontdekken wat je al zolang in bezit hebt. Vroeger werd lang niet alles gefotografeerd en zeker niet gedigitaliseerd, maar op kaarten vastgelegd die dan in bepaalde kaartenbakken werden opgeborgen. Ook in de oude jaarverslagen werden aankopen, schenkingen en bruiklenen vermeld. De laatste jaren hebben we middels fotografie en digitalisering veel vooruitgang geboekt. De drie panelen waar het hierover gaat bevonden zich in een ladekast, zonder lijst; Drie plankjes bijeengehouden door een dun latje met nare spijkers. Een van die plankjes was al losgeraakt en kromgetrokken. De voorstelling was slecht te zien, er leken wel Romeinse soldaten op te staan, een figuur met een boek, traliewerk en een lamp. Het geheel was bedekt met wat zich het beste laat omschrijven als een soort teerlaag. Samen met Gerrit Conijn, onze nestor, had ik de losse panelen al meerdere malen bekeken, maar veel wijzer werden we niet. Wellicht een Bijbelse voorstelling zoals de bijbehorende kaart vermeldde, maar verder niets. Als het bijbels was, welke scene werd dan afgebeeld? Als de voorstelling niet duidelijk te zien is, is zoeken in de oude jaarverslagen ook lastig. Het blijkt een vrij exacte kopie te zijn naar een prent van Jan van der Straet die in 1582 is uitgegeven als onderdeel van een serie prenten met belangrijke passages uit het leven van de apostelen de Acta Apostolorum. Paneel samengesteld uit drie liggende gestapelde planken. Donker interieur met getralied raam en twee rondbogige doorgangen. In de rechter doorgang hangt een lantaarn die de ruimte verlicht. In de linker doorgang bevinden zich een engel en man met een boek onder zijn arm. In de binnenruimte bevinden zich zeven mannen in rustende toestand en één man die door het raam kijkt dat uitzicht biedt op een kamer waarin een vrouw ligt te slapen. Vier van de acht mannen in het middelste vertrek dragen soldatenuitrusting (helm, curas, lans, schild).

 

 

Bitnami